Alles over het opfokken van biggen

Opinieartikel van Hans Baaij, directeur van Varkens in Nood en Dier&Recht.

Foto: Varkens in Nood
Foto: Varkens in Nood

In de intensieve varkensteelt wordt alles gedaan om zo efficiënt mogelijk ons varkensvlees te produceren. Toen Varkens in Nood in 1997 werd opgericht, produceerde de gemiddelde zeug in de vee-industrie iets meer dan 20 biggen per jaar. Dat was al een stuk meer dan de schamele 5 à 6 biggetjes die de voorouder van het productievarken, het everzwijn, in de natuur voortbrengt. Het productievarken, zoals het varken in de vee-industrie heet is dan ook speciaal gefokt om zoveel mogelijk biggen te krijgen die vervolgens zo snel mogelijk moeten groeien. Zeugen zijn bijvoorbeeld zo gefokt dat ze extra tepels hebben om zo de extra biggen te kunnen voeden. De aantallen biggen per zeug blijven groeien. Kwamen er in 1983 nog maar 18 biggen uit een zeug, anno 2014 zijn dit er gemiddeld 28 en op veel boerderijen al meer dan 30. Het afgelopen jaar groeide de productie weer met een verbazingwekkende 0,6 big per zeug.

Om het aantal biggen op te voeren, is het varken niet alleen genetisch aangepast (doorgefokt zouden sommigen zeggen), maar is ook het ‘management’ van de varkens veranderd. In de natuur krijgen de biggen tot circa 15 weken melk van de moeder. In de intensieve veehouderij drinken de biggen geen 15 maar slechts 3 weken bij de moeder. Hierna worden de nog zeer jonge speenbiggen weggehaald en in een apart hok gezet -afgespeend – om vetgemest te worden. Het voordeel voor de varkensboer van zo’n korte speentijd is dat de zeug vrijwel direct daarna door kunstmatige inseminatie (KI ) weer zwanger gemaakt kan worden.

Om de zeug ontvankelijk (berig) te maken, laat de varkensboer een beer (een mannetjesvarken) langs de stallen met de zeugen lopen. De aanblik van deze stoere jongen maakt de dames hitsig en daar profiteert de boer van door met een slangetje sperma van hoge kwaliteit bij hen naar binnen te werken. Binnen luttele weken nadat ze bevallen is, wordt de zeug dus al weer bezwangerd. Zij is dus vrijwel altijd of zwanger of heeft heel veel jonge biggen te verzorgen. Kortom, een uitputtend bestaan. Een zeug gaat in de praktijk maar zo’n 3 jaar mee en is dan rijp voor de slacht. Tegenover het financieel gunstige grote aantal geboorten, staat dus het financiële nadeel van een hoge afschrijving op de fokzeug.

In vakblad De Boerderij (nummer 38, 17 juni 2014) wordt in een uitgebreid artikel de varkenshouders van Nederland voorgeschoteld wat de toekomst voor hen op dit gebied allemaal te bieden heeft. Deskundigen achten de kans bijvoorbeeld groot dat de varkensboeren door kunnen gaan naar 40 biggen per zeug per jaar. Een stijging met een factor 7 à 8 ten opzichte van het natuurlijke varken.

Er zijn allerlei hoog opgeleide deskundigen betrokken bij het opvoeren van de biggenproductie. Deze deskundigen zijn over het algemeen optimistisch. Een hogere biggenproductie is zeker nog mogelijk volgens Egbert Kanis, docent fokkerij en genetica aan de landbouwuniversiteit Wageningen (WUR). ‘Ja, op een gegeven moment kan de baarmoeder te klein worden, maar daar is nog geen sprake van’, zegt hij. Wel moet volgens Kalis de voeropname van de zeug optimaal zijn om de biggen in de baarmoeder en daarbuiten voldoende eten te kunnen geven. ‘Gelukkig’ stelt Kalis, ‘slaagt de voerindustrie er in om steeds efficiënter voer te maken, waardoor de zeugen beter doorvreten’. Het voeren van topzeugen is dan ook precisiewerk.

Kortom, de sector ziet de kans op steeds grotere aantallen biggen met vertrouwen tegemoet. Maar er zijn ook zorgen bij de experts. Carola van der Peet-Schwering, voedingsonderzoeker WUR , ziet een beperking in de capaciteit van de zeug om voldoende voedsel op te nemen tijdens de dracht en vindt een aantal van 40 onzeker. Leo van Leengoed, hoofddocent Diergeneeskunde aan de Universiteit van Utrecht, acht 45 biggen per jaar misschien wel haalbaar, maar ziet de hoeveelheid melk per zeug als toekomstige beperking. Ook de geneticus Saskia Bomhof is positief: zolang de zeug in balans gefokt en gehouden wordt, zijn volgens haar 40 grootgebrachte biggen per zeug mogelijk.

Foto: Varkens in Nood
Foto: Varkens in Nood

Het is in de varkensindustrie de kunst om zoveel mogelijk biggen te laten overleven. Gelukkig heeft de sector al een oplossing voor het geval er meer biggen geboren worden dan de zeug aan tepels heeft. Er zijn kunstzeugen ontwikkeld. Wageningen heeft al testen uitgevoerd met de EMMA (electronic mother milk application) die ruimte biedt aan de moederloze opfok van 12 speenbiggen per keer. De EMMA is al kostendekkend is als er jaarlijks 21 boventallige biggen mee gevoed worden.

Lastig punt: wat gaan we met al die biggen doen? Nederland exporteerde op een totaal van 20 miljoen varkens vorig jaar (2013) 6,5 miljoen levende biggen. Als er nog eens 7 extra biggen per zeug bijkomen, dan betekent dat volgens De Boerderij 6 miljoen extra biggen per jaar. Die moeten we exporteren, want die kunnen we in Nederland niet meer kwijt. Dus dat zal ten koste gaan van de exportprijs.

Ik sluit dit verhaal graag af met een citaat van René Stevens, journalist van Boerderij: ‘Helaas kan deze toch zo efficiënte ontwikkeling naar meer biggen het imago van de sector nog meer voor de voeten gaan lopen. Dit soort hoge producties kan gemakkelijk tegen de sector gebruikt worden door dierenbeschermingsorganisaties die niet gevoelig zijn voor rationele argumenten over efficiëntie en duurzaamheid.’

NB: De gevolgen voor het dierenwelzijn van steeds grotere aantallen en steeds kleinere biggen, komen in het artikel helaas niet aan bod. Dierenwelzijn is kennelijk iets van dierenbeschermings-organisaties en van (niet begrijpende) burgers.

 

Advertisement

3 comments

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *