Red de bij: Een verhaal met een angel

Bron: Een verhaal met een angel
Bron: Een verhaal met een angel

Onlangs verscheen het boek “Een verhaal met een angel”. In dit boek laat hoogleraar biologie en hommelspecialist Dave Goulson aan de hand van anekdotes over hun leefwereld zien hoe belangrijk de hommel en de bij voor ons zijn.

Dave Goulson is van jongs af aan gefascineerd door de natuur. Hij beschrijft zijn eerste (klungelige) ontmoetingen met de dierenwereld. Bij het schoonmaken van zijn aquarium elektrocuteert hij zijn lievelingsvissen en na een zomerse regenbui droogt hij zijn hommels en zet ze per ongeluk in brand. Goulson doet allerlei dingen om de natuur, en met name de wereld van de hommel, te doorgronden. Zijn jeugdige fascinatie zet hem aan tot jarenlang onderzoek naar deze ‘tijgers van de insectenwereld’, die met uitsterven worden bedreigd.

Hier een stuk uit het boek “Een verhaal met een angel”:

Mijn belangstelling voor hommels en andere insecten dateert van toen ik zeven jaar was en we met ons gezin van een kleine twee-onder-een-kapwoning aan de verstedelijkte rand van Birmingham verhuisden naar het dorpje Edgmond in Shropshire.
(…)
Terwijl de zomer naderde begon de tuin te krioelen van het leven. De vlinderplant zat vol kleine vossen, dagpauwogen, grote en kleine koolwitjes, zweefvliegen en hommels. Op het oppervlak van mijn nieuwe vijver streden schaatsenrijders en schrijvertjes om territoria en een forse keizerlibel nam zijn intrek in een grote kattenstaart aan de rand. De libel kwam zoemend tevoorschijn om andere vliegende insecten te vangen, die hij midden in hun vlucht met zijn borstelige poten ving, en verjoeg alle andere libellen die zich op zijn jachtterrein waagden. Tot op de dag van vandaag verbaas ik me erover hoe snel al die insecten in een tuin opduiken zodra je ze ook maar een beetje aanmoedigt.
(…)
Op een keer trof ik na een zware zomerse bui een aantal doorweekte hommels aan, die zich aan de vlinderstruik vastklampten. Ik besloot ze te drogen. Helaas voor de bijen was ik nog iets te jong om dergelijke praktische zaken te doorgronden. Achteraf bezien was de föhn van mijn moeder pakken en ze zachtjes droog blazen misschien de verstandigste keuze geweest. In plaats daarvan legde ik de versufte diertjes op de warme plaat van het elektrische fornuis, deed er een laagje keukenpapier op en zette de plaat op een lage stand. Omdat ik jong was, werd ik het wachten tot ze waren opgewarmd beu en ging ervandoor om mijn valse woestijnratjes te voeren. Helaas ging mijn aandacht pas weer naar de bijen uit toen ik de rook opmerkte. Het papier had vlam gevat en de arme dieren waren helemaal verkoold. Ik kon wel door de grond gaan. Mijn eerste poging om hommels te conserveren was op een ramp uitgedraaid. Het voorspelde weinig goeds, maar ik had tenminste geleerd dat er een bovengrens is aan de temperatuur waarbij hommels zich prettig voelen. Zoals we nog zullen zien, verklaart dat waarom er zo weinig hommels in Spanje voorkomen.
(…)
Ik was me er destijds niet echt van bewust, maar mijn kindertijd viel samen met een rampzalige periode in de geschiedenis van het Britse platteland, althans bezien vanuit het perspectief van een vlinder of een hommel. Shropshire klinkt misschien idyllisch, maar dat is misleidend. Het was en is een relatief dorps, groen en aangenaam deel van Groot-Brittannië, maar niet het toevluchtsoord voor in het wild voorkomende dieren dat het misschien ooit is geweest. Ik ben er in 1972 naartoe verhuisd en ging er weg toen ik in 1984 naar de universiteit ging. In het weekend liep ik vaak met mijn vriendjes over het platteland naar het Shropshire Union Canal, een kilometer of drie verderop. Onderweg speurden we de heggen af op zoek naar vogelnesten. Toen ik in Shropshire kwam wonen moest je voor die wandeling vijftien akkers oversteken, stuk voor stuk afgezet met een heg. Tegen de tijd dat ik naar de universiteit ging, was het één gigantische akker. De heggen waarin ik altijd naar vogeleieren had gezocht waren er stuk voor stuk uit gerukt. Een groot deel van het kanaal was gedempt en met een toplaag afgedekt, waardoor het een onopvallend onderdeel van het landbouwareaal was geworden. Waar hommels vroeger bramen in de heggen hadden gevonden, met daarnaast sleutelbloemen en daar weer naast moerasandoorn, aan weerszijden van het kanaal, stond nu alleen nog maar een zee van graan, een monocultuur die zich over het hele landschap uitstrekte. Dergelijke veranderingen deden zich bijna overal op het Britse laagland voor en zetten zich voort door heel West-Europa.
(…)
De veranderingen waren de oorzaak van de teruggang en, in sommige gevallen, het uitsterven van talloze dieren, die ons platteland sterk hebben verarmd. Maar de strijd is nog niet gestreden. Langzaam en voorzichtig bedenken we manieren om de schade ongedaan te maken. Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat we efficiënte landbouw kunnen combineren met zorg voor het platteland. Boeren staan allerlei subsidieregelingen ter beschikking waarmee ze terugkeer van dieren in het wild kunnen bevorderen. De Britten hebben een opvallende, bijzondere liefde voor het platteland en voor de planten en dieren die er leven, waardoor er veel steun voor natuurbehoud is. Om op die golf mee te drijven richtte ik in 2006 de Bumblebee Conservation Trust op, een liefdadigheidsinstelling ter bescherming van onze hommels, die het tot mijn onuitsprekelijke plezier heel goed doet. Ze telt nu meer dan 8000 betalende leden en creëert bloemrijke leefomgevingen voor hommels in heel Groot-Brittannië, van Kent via Pembrokeshire tot Caithness, in het noorden van Schotland. Het grootste deel van onze wilde natuur houdt zich staande, en met onze hulp kan ze herstellen. Misschien keren soorten die geheel en al verdwenen zijn op een dag zelfs terug. Maar dat is het onderwerp van het eerste hoofdstuk.

Interesse in het boek gekregen? Via de Facebookpagina van hetkanWel worden enkele exemplaren van het boek verloot. Daarnaast is het boek hier te verkrijgen. 

Advertisement

2 comments

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *